Ahinsâ: Geweldloosheid in de Mahâbhârata
Het langste epos ter wereld wordt door sommigen van zijn fans en
exegeten als een pleidooi voor de waarde der geweldloosheid gepresenteerd.
Anderen lezen het als een kreet van menselijke wanhoop over de
onbereikbaarheid van dit ideaal. Laat eens kijken.
1. De Mahâbhârata
1.1. De Itihâsa-literatuur
De epische literatuur noemt men itihâsa, uit iti-ha-âsa,
“zo inderdaad was het”, min of meer het equivalent van: “er was eens”. In
het moderne Hindi is dit de normale term voor “geschiedenis”. Oudtijds
bedoelde men hiermee hoofdzakelijk de twee grote epen, de Râmâjana
en de Mahâbhârata. Dit zijn verhalencycli met een vagelijk
historisch kernverhaal, nadien rijkelijk bijgekleurd, en daarin verweven
tal van subplots en gastverhalen, vaak van nog oudere oorsprong. Bovendien
is er voortdurend aan bijgeschreven tot de eindredactie, die pas in de
laatste eeuwen vóór Christus plaatsvond. Beide epen hebben een opvoedende
bedoeling, een soort megazedenles over het sleutelbegrip dharma,
min of meer “plichtenleer”, “integratie in de wereldorde”.
De Râmâjana vertelt de lotgevallen van Râma (“vreugde”)
en zijn vrouw Sîtâ. Râma is de oudste zoon van de koning van
Ajódhjâ, Dasjaratha, en diens eerste vrouw Kausjaljâ. Maar
de koning heeft nog twee andere vrouwen, en één van hen heeft ook ambities
voor haar zoon. Wanneer voor Râma de tijd nadert om zijn vader als koning
op te volgen, eist diens vrouw Kaikejî dat haar zoon Bhŕrata
de troonopvolger zou worden. Omdat de koning haar uit dank voor een
vroegere weldaad nog een gunst verschuldigd is, kan hij dit niet weigeren.
Om verdere tweedracht af te wenden, gaat Râma met zijn bruid Sîtâ en met
zijn broer Lŕksjmana vrijwillig in ballingschap in het woud. Daar
ontmoeten ze Sjoerpŕnakhâ, de prinses van het eiland Lankâ,
die Râma probeert te verleiden. Hij wijst haar brutaal af; ook Lŕksjmana
verwerpt haar avances en verminkt haar aangezicht. Zij gaat uithuilen bij
haar broer Râvana, kleinzoon van de wijze Poelastja en zelf een
briljant brahmaan (daarom vaak afgebeeld met tien hoofden, één daarvan
echter een ezelskop wegens zijn stijfkoppigheid) en koning van Lankâ. In
de gedaante van een hert trekt hij het woud in om eerst Râma en dan
Lŕksjmana bij Sîtâ weg te lokken, en haar vervolgens te ontvoeren.
Râma sluit een bondgenootschap met de apenprins Hŕnoemân, wiens
toegewijde dienst van onschatbare waarde zal blijken. Zo moet Hŕnoemân op
zeker ogenblik op een berg een kruid gaan zoeken dat de gewonde Lŕksjmana
het leven kan redden; en omdat hij het kruid niet herkent, brengt hij dan
maar de hele berg mee. Hij gaat ook op verkenning in Lankâ en vindt de
plaats waar Sîtâ in huisarrest wordt gehouden. Met behulp van een
apenleger verslaat Râma de tienhoofdige koning van Lankâ. Hij bevrijdt
Sîtâ maar is er niet zeker van dat zij hem in gevangenschap trouw gebleven
is. Daarom onderwerpt hij haar aan de vuurproef, die zij goed doorstaat.
Zij worden feestelijk in Ajódhjâ ingehaald en Râma wordt dan toch tot
koning gekroond, een blijde intrede die jaarlijks herdacht wordt in het
Dîpâwalî-feest. Râma stelt de ideale regering in, en ze leefden nog
lang en gelukkig.
Behalve dat er nadien nog een veel minder idyllisch boek bijgeschreven
is. Zo zien we hoe Râma zich als monarch onder druk laat zetten om de
sjoedra (lage kaste) Sjŕmboeka te straffen wegens het beoefenen van
brahmaanse rituelen: het begrip dharma wordt hier ingevuld als
strikte naleving van het kaste-onderscheid, iets waarvan Râma zich in bv.
zijn omgang met de bosmensen weinig aangetrokken had. En om kwaadsprekers
terwille te zijn die maar niet aan Sîtâ’s reinheid willen geloven, laat
hij haar, zwanger van hun tweeling Lava en Koesja, naar de
hermitage van de wijze Vâlmîki in het bos wegzenden. Deze vangt er
de kinderen op terwijl hun moeder uit verbittering Moeder Aarde aanroept
en zich in een scheur in de grond laat opslokken. Moderne hervormers
hameren erop dat dit laatste boek niet authentiek is, maar gedurende
tweeduizend jaar heeft het toch mede het collectieve bewustzijn van de
hindoes gevormd.
De Mahâbhârata, die grotendeels draait om de figuur van
Krsjna, is veel langer en heeft een veel omvangrijker cast van
personages dan de Râmâjana. Maar de verschillen gaan dieper dan dat.
De Mahâbhârata is tragischer en heeft geen echt happy end. In termen van
de vier wereldtijdperken situeert men Râma in het Zilveren tijdperk (Trétâ-Joega),
de tijd waarin de wereld nog voor driekwart in orde is. De Mahâbhârata
speelt zich af op het einde van het Bronzen tijdperk (Dwâpara-Joega),
waarin de wereld voor nog slechts de helft in orde is; en met de dood van
Krsjna begint zelfs het IJzeren tijdperk, Kali-Joega, de “tijd van
conflict”, waarin de wereld nog slechts voor één kwart in orde is.
De Râmâjana schildert een ideaal, Râma-Râdzjja, “het rijk
van Râma”, waarin de samenleving in harmonie is. De Mahâbhârata
schetst ook wel een ideaal, namelijk het dubbelideaal van ahinsâ, “geweldloosheid”,
en dat van de dharma-joeddha, plusminus de “oorlog volgens de
riddercode”, maar presenteert vooral de moeilijkheidsgraad van dat ideaal,
het menselijk falen in het nastreven ervan, met alle ellende vandien.
1.2. Plot van de Mahâbhârata
De Vedische hymnen werden hoofdzakelijk gecomponeerd in de schoot van
de Paůrava-stam, de stam van Poeroe, één van de vijf zonen
van Jajâti, de veroveraar van het bovenstroomgebied van de
Sarŕswatî en prins van de Maandynastie uit Prajâg, later bekend als
Allâhâbâd. Deze was via een gemeenschappelijke voorvader, Manoe
Vaivŕsvata die de zondvloed overleefde, verwant met de Zonnedynastie
uit Ajódhja waartoe Râma (en later ondermeer ook de Boeddha) behoorde. Eén
van de Paůrava-koningen heette Bhŕrata, overigens niet te verwarren met de
gelijknamige halfbroer van Râma. Het is naar hem dat India zichzelf nog
steeds Bhâratavarsja of kortweg Bhârat noemt, en het is
binnen zijn clan, de Bhârata-clan, en daarbinnen dan weer in de familie
van Koeroe, dat zich ettelijke generaties later een broedertwist
ontspint die de plot voor het “grote epos van de Bhârata-clan” levert.
Koning Sjântanoe van Hastinâpoera, afstammeling van Bhŕrata en
van Koeroe (vanwaar de familienaam Kaůrava), heeft bij zijn vrouw
Gangâ één overlevende zoon, Devavrata, wanneer hij verliefd
wordt op Satjavatî. Deze had in het geheim al een uitbestede zoon
van de wijze Parâsjara, namelijk Vjâsa, die later de
“samensteller” van de Veda’s uit de overgeleverde losse hymnen wordt, en
die ook het Mahâbhârata-relaas zal doen. Haar pleegvader, de visser
Dâsjarâdzja, wil haar pas aan Sjântanoe uithuwelijken wanneer
Devavrata zweert om nooit zijn vaders troon te ambiëren noch zelf
nageslacht te verwekken dat dit wel zou kunnen doen. Van dan af heet hij
Bhîsjma, “de verschrikkelijke”, d.w.z. de man met de
verschrikkelijke eed van levenslang celibaat. Satjavatî heeft twee zonen,
Tsjitrângada, die vroeg sterft, en Vitsjitravîrja, die
sterft vóór hij kinderen kan verwekken bij zijn bruiden Ambikâ en
Ambâlikâ. Daarop verwekt Vjâsa bij hen de zonen Dhrtarâsjtra
resp. Pândoe (en bij een meid verwekt hij ook nog de wijze
Vidoera). De eerste zou de troon moeten beërven, maar omdat hij blind
is, valt de troon toe aan de tweede. Wanneer deze sterft, eisen zowel zijn
eigen zonen, de vijf Pândava’s, als de zonen van Dhrtarâsjtra, de
honderd Kaůrava’s, de troon op.
Even de twee partijen in wat meer detail schetsen. Door een vloek kan
Pândoe zelf geen kinderen verwekken, maar zijn vrouw Koentî, zus
van Krsjna’s vader Vasoedeva, heeft het vermogen om zich door goden
te laten bezwangeren, en ze deelt dit vermogen met de tweede echtgenote,
Mâdrî. Koentî krijgt drie zonen: Joedhísjthira van de god Dharma,
verpersoonlijking van het plichtsbesef; Ardzjoena van de dondergod
Indra; en Bhîma van de windgod Vâjoe. Mâdrî krijgt
van de tweelinggoden, de Nâsatja’s, de tweeling Nŕkoela en
Sahadeva. Wanneer Pândoe sterft, volgt Mâdrî hem op de brandstapel
(satî) en vertrouwt ze haar kinderen toe aan Koentî. Dhrtarâsjtra
en zijn vrouw Gândhârî hebben een dochter Doehsjalâ en
honderd zonen, onderwie Doerjódhana en Doehsjâsana. Tot de
Kaůrava-clan behoren nog Gândhârî’s broer Sjakoeni en ook Karna,
de geheime eerste zoon van Koentî en de zonnegod Soerja. Karna werd
door Doerjódhana liefdevol opgevangen en wijst later de
verzoeningspogingen van zijn moeder en zijn Pândava-halfbroers af.
Doerjódhana tracht de Pândava’s te doden in een brand, maar zij worden
door Vidoera gered. Zij trekken naar het hof van koning Droépada, vroeger
medeleerling maar inmiddels vijand van hun leermeester Dróna (zijn
zoon Dhrsjtadjoemna wordt voorbestemd om Dróna te doden). Hij
belooft zijn dochter Draůpadî aan wie een bepaalde boog kan spannen.
Alleen Ardzjoena slaagt erin. Wanneer hij met zijn kersverse bruid bij
moeder Koentî aankomt, zegt deze onwetend: “Wat het ook is dat je
meebrengt, deel het met je broeders.” Zo wordt zij de vrouw van allevijf
de Pândava’s, en moeder van één zoon van elk.
Om een verzoening tussen beide takken van de familie te bewerkstelligen,
verdeelt Dhrtarâsjtra het koninkrijk: de Pândava’s krijgen de
soevereiniteit over het deel rond de stad Indraprastha (het huidige
Delhi), de Kaůrava’s de rest. Ardzjoena gaat op bedevaart en ontmoet
onderweg Krsjna’s zus Soebhadrâ. Met Krsjna’s goedkeuring huwt hij
haar en zij schenkt hem een zoon, Abhimanjoe. In Indraprastha
bouwen de Pândava’s een paleis dat ze met een prachtige vuurceremonie
inwijden; hetgeen de jaloersheid van de Kaůrava’s opwekt.
Sjŕkoeni, oom van de Kaůrava’s, daagt Joedhísjthira uit tot een
dobbelwedstrijd. Deze verliest elke ronde en verspeelt al zijn rijkdom en
macht, vervolgens zijn broers en zichzelf, en tenslotte Draůpadî.
Doehsjâsana wil haar in het openbaar ontkleden, maar na haar smeekbede tot
Krsjna wordt haar sari oneindig lang en blijft hij haar bedekken hoever
Doehsjâsana hem ook afrolt. Dhrtarâsjtra schaamt zich voor het incident en
herstelt de Pândava’s in hun vrijheid en hun rechten. Maar Joedhísjthira
laat zich nogmaals tot een dobbelspel uitdagen, met als inzet dat de
verliezers zich twaalf jaar in het woud zullen terugtrekken en een
dertiende jaar incognito onder de mensen leven. Nogmaals verliest hij.
Tijdens hun twaalf jaar ballingschap in het woud redden ze op een dag
hun vijand Doerjódhana wanneer die belaagd en gevangen wordt door de
Gandharva’s. Ardzjoena bezoekt zijn vader Indra in de hemel en verwerft er
bezit van en kundigheid met allerlei wonderlijke wapens. Het opgelegde één
jaar incognito brengen de Pândava’s in vermomming door aan het hof van
koning Virâta. Diens generaal Kîtsjaka wordt verliefd op
Draůpadî maar wordt door Bhîma gedood. Door een aanval van de Kaůrava’s op
Virâta’s rijk af te slaan, wint Ardzjoena voor zijn zoon Abhimanjoe de
hand van Virâta’s dochter Oéttarâ, die weldra zwanger wordt van een
zoon, Parîksjit.
Na deze voltooiing van de dertienjarige taak die hun na de nederlaag in
het dobbelspel opgelegd was, eisen de Pândava’s hun deel van het
koninkrijk terug. Of, bij wijze van compromis, tenminste vijf dorpen.
Tegen de matigende raad van hun vader en van hun oom Vědoera in, weigeren
de Kaůrava’s echter elke machtsdeling: “Nog niet zoveel als de grootte van
een speldenkop krijgen jullie!” Na drie mislukte verzoeningspogingen, ook
gesteund door de oudere verwanten van de Kaůrava’s, aanvaarden Krsjna en
de Pândava’s dat oorlog nu onvermijdelijk geworden is.
Beide partijen verzamelen al hun bondgenoten voor de confrontatie op
het slagveld Koeroeksjétra. De slag duurt 18 dagen. Aan Pândava-zijde
berust de leiding bij Draůpadî’s broer Dhrsjtadjoemna, aan Kaůrava-zijde
volgen vier opperbevelhebbers elkaar op: Bhîsjma tot hij op de tiende dag
buiten gevecht gesteld wordt door de boogschutter Sjikhandin (die
in zijn vorig leven het meisje Ambâ geweest was en door Bhîsjma’s
schuld haar grote liefde, koning Sjalwa, niet had kunnen krijgen);
Dróna tot hij op de vijftiende dag gedemoraliseerd raakt door het valse
nieuws over de dood van zijn zoon Asjvathâmâ, en vervolgens door
Dhrsjtadjoemna gedood wordt; Karna tot hij op de zeventiende dag door
Ardzjoena gedood wordt; en Sjalja, broer van Pândoe’s vrouw Mâdrî,
tot hij op de achttiende dag door Joedhísjthira gedood wordt.
De Pândava’s en de meeste van hun familieleden overleven de slag, maar
Ardzjoena’s zoon Abhimanjoe sneuvelt tijdens een gedurfd manoeuvre.
Praktisch alle tenoren van het Kaůrava-kamp die aan de slag deelnemen,
sneuvelen. Doerjódhana ontkomt maar wordt kort daarop door Bhîma gedood
met, op aanraden van Krsjna, een verboden slag onder de gordel. Dróna’s
zoon Asjvathâmâ, levend en wel, overvalt de Pândava-troepen tijdens hun
slaap en doodt de meesten van hen, ondermeer Sjikhandin, Dhrsjtadjoemna en
de vijf zonen van Draůpadî. Het is dan ook in zeer gedempte stemming dat
Joedhísjthira de zo duur bevochten heerschappij aanvaardt, eerst vijftien
jaar als regent voor de blinde Dhrtarâsjtra, en na diens terugtrekking in
het woud nog eenentwintig jaar als koning. De enige jongere
Pândava-overlevende van Asjvathâmâ’s slachting is Ardzjoena’s kleinzoon
Parîksjit, de latere troonopvolger van Joedhísjthira.
De traditie plaatst de slag op Koeroeksjétra in het jaar 3139 v.C. De
astronomische aanwijzingen in de tekst zelf kloppen echter beter met het
jaar 3067 v.C. Van in de middeleeuwen is ook de 25ste eeuw v.C.
voorgesteld, terwijl Westerse geleerden het eerder op ca. 900 v.C. houden.
Volgens de traditionele chronologie is het in 3102 v.C. dat Krsjna sterft
en de Pândava’s uit hun hoofdstad wegtrekken, de troon aan Parîksjit
overlatend, om van op de Himâlaja naar de hemel te gaan en zich daar
eindelijk met de Kaůrava’s te verzoenen. Het is pas tijdens het
slangenoffer door Parîksjit’s zoon en opvolger Dzjanamédzjŕja dat de
eerste versie van het relaas van de oorlog gereciteerd wordt.
1.3. De figuur van Krsjna
Krsjna (“de zwarte”) Vâsoedéva werd in Mŕthoerâ geboren
als de achtste zoon van prins Vasoedéva en prinses Dévakî,
wier eerste zes zonen gedood waren door haar jaloerse kozijn koning
Kansa na een voorspelling door de wijze Nârada dat een zoon van
haar hem zou onttronen. De kleine Krsjna wordt weggesmokkeld, net als
eerder zijn broer Balarâma, en hoewel Kansa alle pasgeboren jongens
laat doden, groeien Krsjna en zijn broer in veiligheid op bij het
koeherderspaar Nanda en Jŕsjôdâ. Tegenwoordig noemen de
herderskasten zich naar Krsjna’s voorvader Jadoe (broer van Poeroe)
de Jâdava’s.
Na het doden van Kansa raken Krsjna en Balarâma verwikkeld in een
uitzichtloze strijd met Kansa’s vriend, koning Dzjarâsandha. In
ruil voor vrede laten ze hem de stad Mŕthoerâ en vestigen ze zich aan de
kust in Dwârakâ.
Krsjna had acht hoofdvrouwen, onderwie Roekminî die hij met haar
medeplichtigheid op de ochtend van haar gearrangeerde bruiloft geschaakt
had. Elk van de acht schonk hem tien zonen. Toen hij zestienduizend
meisjes uit gevangenschap bij de demon Narka bevrijdde, nam hij hen
allemaal tot bijvrouw.
Terwijl Balarâma uit verdeelde loyauteit jegens zowel Bhîma als
Doerjôdhana afzijdig bleef in de Bhârata-oorlog, ging Krsjna’s sympathie
naar de Pândava’s uit. Toen zowel Doerjódhana als Ardzjoena zijn steun in
de strijd kwamen solliciteren, liet hij de eerste keuze aan Ardzjoena, de
jongste van de twee. Deze koos de ongewapende Krsjna als bondgenoot,
terwijl Doerjódhana heel Krsjna’s leger meekreeg. Als raadgever, formeel
als Ardzjoena’s wagenmenner, speelde Krsjna een beslissende rol in de zege
van de Pândava’s.
Het was volgens de traditie in 3102 v.C. dat de bejaarde Krsjna per
ongeluk gedood werd. Naar het voorbeeld van Balarâma had hij zich in het
woud teruggetrokken voor meditatie, mede uit droefheid na de ondergang van
zijn eigen stam door een dronken broedertwist. Deze slachting onder zijn
eigen volk vervulde een vloek vanwege Gândhârî, die Krsjna
verantwoordelijk achtte voor de dood van haar honderd zonen. Toen de oude
kluizenaar eens in het woud op de grond lag, aanzag de jager Dzjara hem
voor een dier en schoot een pijl door hem, die hem aan een boom
vastspijkerde. Krsjna werd gecremeerd en enkele van zijn vrouwen volgden
hem op de brandstapel (satî). De andere trokken op weg naar
Ardzjoena, maar toen zij onderweg door rovers overvallen werden, sprongen
zij de verdrinking tegemoet in de Sarŕswatî. Zodra de Pândava’s Krsjna’s
dood vernamen, verzaakten ook zij de wereld om op een laatste bedevaart
naar de Himâlaja te trekken.
Tussen haakjes, het schijnbaar zinloze en banale van Krsjna’s dood en
van die van zijn vrouwen is een aanwijzing voor de historiciteit van het
relaas. Toen hij geboren werd, was hij onbekend, en allerlei
verheerlijkende verhaaltjes zouden achteraf op zijn eerste levensstadium
kunnen geprojecteerd zijn. Toen hij stierf was hij echter een bekend man,
wiens wedervaren rondverteld en opgetekend werd. De omstandigheden van
zijn dood zijn duidelijk niet verzonnen om hem te verheerlijken of om bv.
zijn latere status als incarnatie van Visjnoe kracht bij te zetten.
Daarvoor is het namelijk te zinloos en banaal. Wellicht werd het dus zo
voortverteld om geen andere reden dan dat het nu eenmaal op die manier
gebeurd was.
In de latere devotionele literatuur, zoals de Gîtâ-Govinda,
krijgt Krsjna een zeemzoet karakter. Daar wordt hij vooral als kind en als
verleidelijke jongeling belicht, niet als de koud-realistische
krijgsadviseur van de Pândava’s. Zeer populair zijn de verhalen over zijn
gestoei met Râdhâ en talloze andere koeherderinnetjes, die hij net als het
vee naar zijn betoverend pijpen (= fluitspel) kon doen dansen. Men
schrijft hem ook allerlei wonderwerken toe. Net als Jezus dreef hij
demonen uit, deed hij blinden zien en lammen lopen, en wekte hij een dode
tot leven. Hij waste ook de voeten van de brahmanen en gold als een
belichaming van de naastenliefde (préma).
1.4. De Bhagavad-Gîtâ
Het hoogtepunt van het epos is de dialoog tussen Ardzjoena en zijn
wagenmenner Krisjna op het slagveld Koeroeksjétra. De tekst van dit
gesprek vormt de Bhagavad-Gîtâ, het “Lied des Heren”. Daarin wijst
Krsjna de weifelende Ardzjoena op zijn plichten als krijger. Althans in
het begindeel, want de meeste van de achttien hoofdstukken hebben nog
weinig met de veldslag te maken: zij bestaan uit een samenvatting van al
de verschillende wijsgerige standpunten binnen de hindoe-traditie.
Sommigen noemen het een summa van de essentie van het hindoeďsme, anderen
doen het af als een hutsekluts waarin voor elk wat wils op een rijtje
gezet wordt.
Men noemt de Gîtâ wel eens de “vijfde Veda”. Deze omschrijving geldt
ook andere aanschouwelijke presentaties van de Vedische wijsheid voor het
bredere publiek, bv. de klassieke muziek (waarvan de meesters de titel
pandit voeren, d.w.z. “schriftgeleerde”) of de klassieke danskunst (Bhârat
Natjam). Terwijl de Veda’s slechts in zeer selecte kring echt bekend
zijn, kunnen miljoenen geschoolde hindoes de volledige Gîtâ uit het hoofd
reciteren.
2. Dharma als kernbegrip van het hindoeďsme
Heel wat verhalende hindoe literatuur heeft als doel, het begrip
dharma aanschouwelijk voor te stellen. De bekende fabelverzameling
Pantsjatantra, de bron van de fabels van Aesopus en Jean de la
Fontaine, had als doel om drie weinig leergierige prinsen op een speelse
manier levenswijsheid en Râdzjadharma, de koninklijke plichten, bij
te brengen. De leringen aan Râma door zijn leermeester Vasisjtha
vormen het voorwerp niet alleen van enkele terloopse Râmâjana-episodes
maar ook van een omvangrijk traktaat, de Joga-Vasisjtha. Uiteraard
kunnen we het in het geval van de grote epen realistisch best zo opvatten,
dat latere auteurs die iets belangrijks te zeggen hadden, hun boodschap in
de uitdijende epostekst inlasten, of dat erg abstracte traktaten aan
kleurrijke legendarische personages opgehangen werden om ze interessanter
te maken. De Bhagavad-Gîtâ is wel het bekendste geval van zulke
literair-filosofische inlassing.
Het begrip dharma is de rode draad doorheen de epen: wat het van
ons vergt, hoe het loont om zich eraan te conformeren, welke de gevolgen
zijn wanneer men ervan afwijkt. Het gaat niet om kleuterverhaaltjes waarin
goed en kwaad eenvoudig verdeeld zijn: het blijkt steeds dat als de goeden
lijden, zij dit ergens in hun verleden ook wel over zichzelf afgeroepen
hebben; en dat de slechten ook wel ergens hun morele verdiensten hebben.
Dharma is een complexe zaak, iets voor volwassenen, iets
levensechts. Maar als vuistregel kan men het zo samenvatten: Dharma
raksjati raksjitah, “gerechtigheid, (indien) beschermd, beschermt”,
d.w.z. “wie de gerechtigheid beschermt, wordt door haar beschermd”.
2.1. De inherente wereldorde:
Rta
De epen vormen inhoudelijk een soort tweede generatie binnen het
hindoe-denken. Vele typische elementen van de hindoe-cultuur vormen hier
centrale elementen, terwijl zij ontbreken of slechts heel schuw hun eerste
optreden doen in de Vedische literatuur, als het ware de eerste generatie.
Aan het begrip dharma, “de dragende essentie”, gaat bijvoorbeeld
een eerder stadium in de hindoe-ethiek vooraf.
De fundamentele norm voor het menselijk handelen in de Veda’s is de
natuurwet, de rta, “orde”, “regelmaat” of “waarheid in actie” (te
onderscheiden van satja, “waarheid” in de zin van intellectuele
waarheid). Juist handelen, dat is handelen overeenkomstig de wereldorde,
ongeveer wat de stoďcijnen noemden convenienter naturae vivere,
“overeenkomstig de natuur leven”. Deze orde is inherent aan de dingen, men
heeft er geen goddelijke openbaring als de Tien Geboden of de Koraan voor
nodig, alleen waarneming van de gegeven patronen des levens. Met name de
levenservaring van de voorouders vormt een blijvend richtsnoer voor
correct gedrag. Van de door hen ontwikkelde zeden (wat de Romeinen het
mos maiorum noemden) is de waarde proefondervindelijk bewezen, en zij
stellen alle vernuftige bedenksels van nieuwlichters in de schaduw.
Het model voor de wereldorde, rta, is het eeuwige patroon van de
cyclus der jaargetijden, af te lezen aan aardse natuurverschijnselen maar
ook en des te helderder aan de hemelbewegingen (later symbolisch
uitgewerkt tot de Dierenriem). Het woord voor “jaargetijde” is trouwens
het afgeleide rtoe. Over de etymologie van de term rta is
heel wat geschreven; hij zou verwant zijn met de Latijnse woorden ars/kunst
(minder zeker ritus/rite, ordo/orde), artus/gewricht;
Germaans aard/natuur; en Grieks artunoo/samenvoegen;
artios/passend/volmaakt; en misschien harmonia/overeenstemming.
Volgens diverse geleerden is de stam r-/ar- ook de basis van de
term ârja (zie verder), op zijn beurt verwant met Griekse woorden
als aretč/deugd/moed, en aristos/beste.
In de bevordering van de maatschappelijke harmonie en
van de zedelijkheid bij de verschillende lagen van de bevolking is een
zeer belangrijke rol weggelegd voor het ritueel. In het profane leven
stellen we voortdurend handelingen die in dienst staan van allerhande
doelstellingen; in het ritueel voltrekken we met religieuze ernst een
niet-dienstige en in die zin bij uitstek vrije handeling. Of men het
ritueel nu ziet als een eredienst aan een godheid danwel als een “zinloos”
stiltemoment, het krijgt alleszins zin als factor van harmonie tussen de
mensen en tussen mens en kosmos, onmisbaar voor het individueel en
collectief welbevinden. Een dag is niet compleet zonder Groet aan de Zon,
een jaar is troosteloos zonder viering van het Lichtenfeest (Dîpâwalî)
en andere jaarfeesten. Rituelen beoefenen verankert de mens in de grotere
gehelen van maatschappij en universum. Daarom is dit een even serieuze
plicht als het volgen van ethische leefregels.
Vanuit religies gebaseerd op een geopenbaarde wet
verwijt men heidense religies wel eens dat ze de ethische dimensie
verwaarlozen ten voordele van de rituele. Maar dat is een vals probleem:
voor de meeste antieke volkeren was ethiek niet iets dat geopenbaard moest
worden, men kon de leefregels uit de levenspraktijk van vroeger en nu
afleiden. Ongeacht wat de goden zijn of zeggen of doen, staat het nu
eenmaal vast dat de mensen onder elkaar bepaalde regels in acht moeten
nemen als zij willen samenleven. Het is ook zonder openbaring gewoon
evident dat trouw beter is dan ontrouw, moed beter dan lafheid, of -- om
de drie belangrijkste Vedische deugden te noemen -- medeleven/dajâ
beter dan onverschilligheid, zelfbeheersing/dama beter dan
onbeheerstheid, en vrijgevigheid/dâna beter dan gierigheid.
2.2. De edele mens (ârja) als belichaming van de orde
Degene die leeft conform de natuurwet, die zijn
inherente plichten in acht neemt, vormt het ethische rolmodel: de ârja.
Het woord ârja betekent waarschijnlijk “de (aan het model) conforme”,
“degene die in orde is”, “de beschaafde”. Een andere verklaring, erg in
trek bij marxisten, leidt het woord af van de stam ar-, “bezitten,
meester zijn”. In de 19de eeuw gaven Europese geleerden aan deze term een
raciale of taalkundige betekenis: het Arische of noordse ras, resp. de
Arische of Indo-Europese taalfamilie. De brahmaanse literatuur gebruikt
hem echter uitsluitend in een culturele betekenis: tot de Vedische
traditie behorend.
Concreet wil dit ondermeer zeggen: zich houden aan de
regels van de gedifferentieerde kastesamenleving (zie verder) en de
Vedische rituele plichten in acht nemen. Tegelijk heeft de term een
sociologische betekenis: alleen de drie hoogste kasten werden in het
Vedische ritueel ingewijd, dus alleen zij zijn ârja in beide
opzichten; lagere kasten nemen slechts aan de ârja cultuur deel
door hun observantie van hun kasteplichten, en secundair door voor
rituelen op brahmaanse priesters beroep te doen. De term is dan ook een
algemene aanspreektitel voor de hogere kasten, tevens de aanspreektitel
van een man door zijn echtgenote: “mijn heer”. In verbasterde vorm is
ârja via ajja, adzjé, adzjî een bekend
eerbiedbetuigend achtervoegsel geworden, -dzjî, als in
Gândhî-dzjî.
In verbrede, tot het louter ethische niveau
geabstraheerde zin betekent ârja “eerbiedwaardig”, “edel”. Aldus
wordt het gebruikt in de boeddhistische termen “de vier edele (ârja)
waarheden” en “het edele (ârja) achtvoudige pad”. De keuze van deze
term schijnt te impliceren dat de Boeddha zijn leer als de herstelde
essentie van een decadent geworden Vedische (ârja) traditie opvatte.
2.3. Dharma, verantwoordelijkheid
Sedert de epen is dharma in de zin van
“verantwoordelijkheid” absoluut dé centrale waarde in het hindoeďsme, dat
zichzelf Sanâtana Dharma noemt, de “eeuwige ethiek/plichtsbesef/gerechtigheid/integratieleer”.
Deze klemtoon op verantwoordelijkheid tegenover kosmos en maatschappij is
in andere bewoordingen reeds in de Veda’s aanwezig. Volgens de Veda’s
wordt de mens als schuldenaar geboren. De schuld aan de goden betaalt hij
af door offers te brengen; die aan ouders en voorouders door zelf het
leven door te geven. Het is dus een belangrijke verplichting om aan de
wereldse samenleving en aan rituele godsdienstoefeningen deel te nemen, en
meest elementair van al, om een gezin te stichten.
Als continue hoofdtoon in de hele hindoe-traditie vormt
de eis van verantwoordelijkheid/dharma een beslissend verschil met
haar belangrijkste levensbeschouwelijke uitdager, het boeddhisme. De
volgelingen van de Boeddha verwerpen de verplichtingen aan samenleving en
voorouders en kiezen voor het celibataire monnikschap. Niet alleen
verricht de monnikenorde geen arbeid; zelfs in zuiver biologische zin
parasiteert zij op de omgevende samenleving. Haar leden vereffenen nooit
de schuld opgelopen door hun eigen geboorte.
De Vedische samenleving aanvaardde dat meditatie, in
principe de voltijdse bezigheid van kluizenaars en boeddhistische monniken,
een waardevolle discipline was. Men zou aan de hersencellen kunnen
verwijten dat zij in tegenstelling met maag- of spiercellen nutteloos zijn,
maar we weten wel beter; evenzo zijn mensen die zich op wijsheid en de
ontwaking van het Zelf toeleggen, ondanks al hun onproductiviteit
eigenlijk het kroonjuweel van de menselijke samenleving. Maar men kon deze
bewustzijnscultuur beoefenen op vaste tijdstippen in combinatie met een
leven als huisvader, en men kon er zich voltijds op toeleggen eens de
kinderen grootgebracht waren. Pas met Sjankara, ca. 800 n.C. de stichter
van de oranje-geklede Dasjanâmî orde (“tien-namige”, naar hun
naamsuffixen Giri/berg, Sarŕswatî/stroom, Âranja/woud,
Tîrtha/oversteekplaats, enz.), wordt het celibataire monnikschap
tot een toonaangevende instelling in de hindoe-samenleving opgewaardeerd.
Aldus is móksja/bevrijding toegevoegd geraakt
aan de lijst van erkende menselijke doelstrevingen (poeroesjârtha’s).
De drie meer elementaire zijn kâma/lust, artha/succes en
dharma/ethiek. Geen van deze mag verwaarloosd worden, al worden de
eerste twee wel onderworpen aan gedragsbeperkingen gedicteerd door de
derde.
Typisch voor het hindoeďsme is dat het zeer expliciet
een differentiatie in de ethische plichten der mensen erkent. Volgens
Immanuel Kant zou een geldige ethische regel veralgemeenbaar moeten zijn,
maar het hindoeďsme aanvaardt dat een verschil in geslacht,
maatschappelijke klasse en levensfase ook een verschil in ethische
verplichtingen impliceert. In de praktijk kan geen enkele samenleving deze
differentiatie consequent ontkennen, maar sommige theoretische lijstjes
van leefregels zoals de Tien Geboden zien haar wel over het hoofd.
2.4. Swadharma, eigen plicht
Een centrale notie in de Bhagavad-Gîtâ is swadharma,
de “eigen plicht”. Krsjna roept Ardzjoena op om zijn swadharma te
volgen en dus zijn plicht als krijger te doen. Moderne westerlingen
grijpen deze term en lopen er dan mee weg om er een knusse moderne
interpretatie aan te geven, namelijk “iemands unieke eigen weg”. Zowat als
in Friedrich Nietzsche’s maxime: “Eén enkele weg is er in de wereld die
niemand kan gaan dan gij. Waarheen hij voert? Vraag het niet, ga hem!”
Maar zulk hyperindividualisme was de maatschappij waarin de Gîtâ ontstond,
gewoon vreemd.
Ardzjoena wordt inderdaad gewezen op een “eigen plicht”
die hij niet met iedereen deelt. Zijn vrouwen worden niet geacht, dezelfde
opdracht te aanvaarden, namelijk aan de veldslag deel te nemen. Evenmin
kinderen, noch de hoogbejaarde en gehandicapte Dhrtarâsjtra, noch mensen
die een niet-strijderstaak hebben, zoals de wagenmenner Krsjna zelf.
Daaruit volgt echter niet dat Ardzjoena’s swadharma een
allerindividueelste eigenaardigheid is: hij deelt ze met alle gezonde
volwassen mannen van zijn kaste, namelijk de krijgerskaste. Zijn “eigen
plicht”, dat betekent in deze context eigenlijk: zijn kasteplicht.
De functionele differentiëring en hiërarchisering van de samenleving
werd in India als een kenmerk van de beschaving gezien, dat haar van de
barbarij onderscheidde. In tegenstelling met de principiële meritocratie
van het confucianisme (waar in theorie iedereen zich kon opwerken,
ondermeer via staatsexamens) of van de moderne samenleving, kende India de
determinatie van iemands maatschappelijke positie door zijn
kaste-aangehorigheid. De hier bedoelde term voor “kaste” is varna,
“kleur”, metaforisch “één segment in een spectrum”, in dit geval “één
functie in het spectrum van maatschappelijke functies”: geestelijken,
machthebbers, ondernemers en werklieden. De hindoe-maatschappij was
volgens sommige bronnen oorspronkelijk wel minder rigide dan in de
recentste eeuwen, en zelfs dan blijkt er (ondermeer uit gegevens over de
kaste-aangehorigheid van leerlingen in inheemse scholen in de
vroeg-koloniale periode) meer sociale mobiliteit geweest te zijn dan
algemeen aangenomen wordt. Toch blijft het kastestelsel onmiskenbaar één
van de zwaarste remmen op de maatschappelijke mobiliteit die de mensheid
gekend heeft.
Dat blijkt met name uit de Bhagavad-Gîtâ. Hervormers
wijzen graag op vers 4:13, dat kaste schijnbaar losmaakt van
geboortestatus door ze te baseren op activiteit/karma en
kwalitatieve aanleg/goena. Echter, in hun discussie beroepen zowel
Ardzjoena als Krsjna zich, ter ondersteuning van tegengestelde standpunten,
op hetzelfde argument, namelijk dat varna-sankara, kastenvermenging,
voorkómen moet worden. Ardzjoena (1:41-43) waarschuwt dat een
intrafamiliale strijd tot varna-sankara leidt, Krsjna (3:24) stelt
dat juist afzijdigheid van actie tot zulke vermenging zou leiden. Als
tegengestelde standpunten aan een identieke bekommernis opgehangen worden,
dan weet je wel zeker dat er in de betrokken samenleving een brede
eensgezindheid bestaat over die bekommernis: in dit geval het vermijden
van kastenvermenging.
Blijkbaar wordt kaste-identiteit hier wel degelijk
opgevat als iets dat je van je ouders erft en dat je gaaf moet houden door
op jouw beurt binnen je kaste te trouwen. Niets belet immers om te opperen
dat iemand kwaliteiten/goena een kwestie van erfelijke aanleg zijn;
en in antieke samenlevingen namen kinderen spelenderwijze de
beroepsactiviteit/karma van hun ouders over. Nature en
nurture spanden dus samen om kinderen naar de beroepsgroep en
maatschappelijke klasse van hun ouders te oriënteren, dus om
kaste-identiteit en bijbehorende swadharma van vader op zoon
identiek te doen blijven. Dat blijft een moeilijk punt voor modernisten
die de oude teksten voor hun hervormerskarretje willen spannen.
2.5. Het ideaal van de
Tsjakravarti
Het recht van energieke heersers om hun gebied uit te breiden wordt als
een feit des levens erkend, maar aan beperkingen onderworpen. Zij mogen
landen veroveren en er schatting heffen, maar zij moeten de eigen cultuur
en inwendige ordening (swadharma) van het land respecteren. Aldus
bv. zet Râma na de verovering van Lankâ de wettige erfgenaam van de
verslagen Râvana op de troon om de bestaande dynastie te handhaven samen
met de vigerende gebruiken en wetten.
De enige wijzigingen die de veroveraar in zijn wingewest mag aanbrengen,
zijn diegene die voor iedereen als onmiskenbare verbeteringen herkenbaar
zijn. Aldus zegt de Arthasjâstra (“Traktaat over de welvaart”),
13:5, van Kautilja (300 v.C.?):
"De veroveraar zal zijn deugden in de plaats stellen van de ondeugden
van de vijand, en waar de vijand goed was, zal hij twee keer zo goed zijn.
Hij zal een beleid volgen dat de onderdanen behaagt en weldoet door
overeenkomstig zijn dharma te handelen en door gunsten en vrijstellingen
te verlenen, en door geschenken en eerbewijzen te geven. (...) Hij zal de
levenswijze, kleding, taal en gewoonten overnemen van de bevolking,
dezelfde toewijding betonen aan de goden van het land en deelnemen in de
festivals en feesten van het volk. Hij zal de notabelen van het
land, de steden, de kasten en de gilden plezieren door hun gebruikelijke
rechten, hun belastingvrijstellingen en hun veiligheid in acht te nemen.
(...) Hij zal ervoor zorgen dat regelmatig erediensten gehouden worden in
alle tempels en hermitages. Hij zal land, geld en belastingvrijstellingen
geven aan de mensen die zich onderscheiden door hun geleerdheid,
welbespraaktheid, dharma of dapperheid. (…) De
zieken, de hulpelozen en degenen die in nood verkeren, zullen geholpen worden.
(...) Alle praktijken die niet overeenstemmen met dharma of die de schatkist
en het leger schade toebrengen, zullen beëindigd worden en vervangen door
wat met dharma overeenstemt."
Deze benadering van de verovering in respect voor de
plaatselijke eigenheid past in de leer van de Tsjakravarti, de
“wieldraaier” of universele (althans heel-Indiase) heerser. De Mahâbhârata
somt zestien heersers uit het verleden op die dit ideaal van
Tsjakravarti verwezenlijkt zouden hebben. Cruciaal in de status van
Tsjakravarti is dus dat men de eigenheid van elke regio en elke
bevolkingsklasse erkent en respecteert.
Ook meer in het algemeen kan men zeggen dat de
verspreiding van de Vedische hoogcultuur over haar klassiek grondgebied
vanuit een vruchtbare kernzone in het Indiase noordwesten deze principes
van respect voor de eigenheid gevolgd heeft, met name in de geleidelijke
inculturatie van de "barbaren". Net als de oud-Griekse en de
koloniaal-Europese culturen beschouwde de Vedische samenleving zichzelf
als "de" beschaving, en omgekeerd erkenden de “barbaarse” buurvolkeren
doorgaans de superioriteit van het beschavingscentrum. Daarom dat vorsten
in het zuiden en oosten van India en zelfs in Zuidoost-Azië zelf
brahmaanse families uitnodigden om zich bij hen te vestigen en hun
dynastie in het aanzien van de Vedische traditie te laten delen. De
integratie van steeds nieuwe “barbaarse” gemeenschappen in de uitdijende
beschaving geschiedde op een bij uitstek behoudsgezinde en in die zin
“geweldloze” manier: er werd immers zo min mogelijk ingegrepen in de
bestaande gebruiken en maatschappijstructuren.
Occasioneel waren er pogingen om onwenselijk geachte
elementen uit te wieden, bv. mensen- en dierenoffers na de opkomst van
geweldloosheidsideaal in India, of al te expliciete
vruchtbaarheidsriten naarmate de brahmaanse cultuur zelf geleidelijk
preutser werd. Maar in het algemeen integreerde men de bestaande
cultuurelementen, vaak door wat men een interpretatio brahmanica
zou kunnen noemen: veredeling van “barbaarse” motieven door hun
vereenzelviging met elementen uit de hoogcultuur, bv. van dorpsgoden met
Vedische godheden. Het belangrijkste geval van “integratie met behoud van
identiteit” betrof de endogamie. Stamleden trouwden alleen met
medestamleden, en dat exclusivisme mochten ze na hun integratie in de
bredere brahmaanse samenleving behouden. Aldus werden stammen (dzjâti’s,
“geboortegroepen”) tot kasten of subkasten, de endogame bouwstenen van de
complexe kastenmaatschappij. Deze verdeling vermengde zich met een andere
die meer typisch was voor een gevorderde beschaving, namelijk de al
genoemde in vier functionele standen of varna’s.
Het is belangrijk om in te zien dat deze integratie van
nieuwe bevolkingen een toepassing is van het beginsel der geweldloosheid.
Niet een brute toepassing in de zin van “de andere wang aanbieden”, maar
een subtiele: bestaande entiteiten in hun bestaansrecht respecteren.
3. Krijgsethiek
3.1. Vermijden van de strijd:
ahinsâ
“Ahinsâ paramo dharma”, “geweldloosheid is de hoogste ethiek”,
zegt het meest geciteerde zinnetje uit de Mahâbhârata. Dat kan men
zondermeer bijtreden als de zojuist geschetste subtiele interpretatie
bedoeld wordt, geweldloosheid als principieel respect voor de nu eenmaal
bestaande individuen, collectiviteiten, instellingen en tradities. Minder
boven twijfel verheven wordt dit beginsel als men het op de letter gaat
toepassen in de conflictsituaties eigen aan deze gevaarlijke wereld.
Wat pacifisten er niet altijd bijzeggen, is dat de tekst na de
erkenning van dit ideaal van geweldloosheid evenzeer de weerbaarheid
predikt, en zelfs de wederkerigheid in het geweld. Doe een extra stap naar,
en desnoods een extra toegeving aan, een tegenstander die tot rede te
bewegen is; als dat niet helpt, aanvaard dan de strijd maar neem een
riddercode in acht tegenover een vijand die zich in zijn strijdgedrag
eveneens beheerst; doch voer de strijd tot het uiterste en met alle
middelen zodra blijkt dat de vijand zelf alle regels overtreedt.
Krsjna’s richtlijnen zijn aanvankelijk duidelijk gericht op het
vermijden van conflict. Elk compromis is goed als het maar de vrede kan
bestendigen. Wanneer de Pândava’s aanspraak mogen maken op de helft
van het koninkrijk, overtuigt hij hen om vrede te nemen met slechts vijf
dorpen. Het is pas wanneer de Kaůrava’s zelfs deze toegeving
hooghartig afwijzen, dat Krsjna tot de onvermijdelijkheid van een oorlog
besluit. Maar dan engageert hij zich ook vol overgave in een strijd op
leven en dood.
3.2. Riddercode tijdens de strijd:
dharma-joeddha
Tijdens de Bhârata-oorlog betrachten de Pândava’s aanvankelijk de
scrupuleuze observantie van de riddercode. Zij vatten de strijd op als een
dharma-joeddha, een oorlog (joeddha) beperkt door de regels
van de ethiek (dharma). Deze verschillen in essentie weinig van de
riddercode bekend uit de Europese hoofse literatuur of van het
oorlogsrecht voorgesteld door Europese theoretici van de “rechtvaardige
oorlog”: geen niet-strijdenden aanvallen, onderhandelaars respecteren,
gevangenen correct behandelen, een afgesproken wapenstilstand in acht
nemen e.d.
Deze regels waren geen fantasierijk bedenksel van de dichter. Men vindt
hen terug in oude hindoe-handboeken voor krijgskunde, bv. in de
Dhŕnoerveda: “Men moet niet doden de vijand die bewusteloos neerligt,
die kreupel is, zonder wapen, of vervuld van vrees en om asiel vragend.”
(4:41) “Degene die slaapt, dronken is, zonder kleren of wapens is,
de dame, de minderjarige, de hulpeloze en de bangerik die het slagveld
verlaat, moeten niet gedood worden.” (4:64)
Er zijn nogal wat historische voorbeelden van hindoe-vorsten die deze
regels strikt toepasten. Tijdens zijn strijd tegen het Mogolrijk verbood
Tsjhatrapati Sjivadzjî (17de eeuw) zijn mannen om moslimvrouwen te
ontvoeren of te verkrachten, ook wanneer dit slechts een wraak met gelijke
munt zou zijn voor het wangedrag van moslimstrijders. De Indo-Pakistaanse
oorlog over Banglâ Désj in 1971 was het schoolvoorbeeld van een
confrontatie tussen twee oorlogsfilosofieën: enerzijds een plunderende en
verkrachtende bende die alle klassieke en moderne krijgsconventies schond;
anderzijds een zegevierend leger dat de bevolking en de gevangen
vijandelijke soldaten correct behandelde, onder bevel van een politica (Indirâ
Gândhî) die zich ook nadien aan de onderhandelingstafel meer dan nodig
genereus toonde.
Sommigen overdreven in de goedheid en betaalden er zwaar voor. In 1191
versloeg Prthivirâdzj Tsjauhân het invasieleger van Sjihaboeddîn Ghórî
tijdens de eerste slag bij Tarâin. Een verslagen vijand vernederen en
doden zou tegen de riddercode ingaan, dus zei Prthivirâdzj tegen hem: “Je
hebt nu onze macht en onze moed gezien”, en hij liet hem gaan. Ghórî had
zijn ogen inderdaad de kost gegeven, en hij werkte een jaar lang aan een
aangepaste uitrusting en strategie. Tijdens de tweede slag bij Tarâin in
1192 werd Prthivirâdzj verslagen en nadien door Ghórî eigenhandig onthoofd.
Zoals dit laatste voorbeeld leert, bestaan er nu eenmaal vijanden
tegenover wie men zich niet veel goedheid kan veroorloven. Het gaat erom,
hen aan hun gedrag te herkennen. In de Mahâbhârata gunt Krsjna de
Kaůrava’s eerst een principieel voordeel van de twijfel, maar naarmate zij
zich meer en meer vrijheden tegenover de riddercode veroorloven, gaat ook
hij zich harder opstellen. Hij loopt nooit voorop in de escalatie tot de
oorlog en vervolgens tot het steeds brutaler worden van de oorlog; maar
hij blijft nooit meer dan een paar stappen achter bij de vijand tijdens
deze escalatie. Wanneer de Pândava’s zich tijdens tweegevechten in de
eindfase van de veldslag nog geremd voelen door de riddercode, moedigt
Krsjna hen aan om alle remmingen te doorbreken en de vijand genadeloos te
treffen.
3.3. Wederkerigheid
Naarmate in de Mahâbhârata de strijd voortduurt, verliest hij steeds
meer het karakter van een dharma-joeddha, om een strijd te worden
waarin alles geoorloofd is. De reden is dat je volgens Krsjna met twee
moet zijn om een ridderlijke strijd te voeren. Als één partij de regels
aan haar laars lapt, dan zou de andere partij wel onnozel zijn om zichzelf
te benadelen door toch nog aan de regels vast te houden. Men moet nooit de
eerste zijn om de naleving van de regels stop te zetten, maar wanneer de
tegenstander dit doet, moet men hem daarin volgen.
Bijvoorbeeld, wanneer Karna als aanvoerder van de Kaůrava’s oog in oog
komt met Ardzjoena voor een gevecht op leven en dood, breekt het wiel van
zijn strijdwagen af. Hij roept de beginselen van de dharma-joeddha
in: een gevallen of ontwapende vijand mag men niet aanvallen. Maar Krsjna
bijt hem toe dat hij zich die hoge beginselen niet altijd even goed
herinnerd had; dat hij er toch bij was toen Doehsjâsana bij het dobbelen
tegen Joedhísjthira vals speelde, en toen Draůpadî ontkleed werd: “Waar
was uw dharma toen?!” Daarop schiet Ardzjoena Karna zonder verder
gedoe dood.
Het is ook in uitvoering van Krsjna’s aansporing tot wederkerigheid dat
Bhîma op het einde van de strijd Doerjódhana met een verboden slag de
dijen verbrijzelt. Vervolgens stampt hij de stervende vijand nog eens
tegen het hoofd. Enkele omstaanders onderwie Krsjna’s broer Balarâma zijn
ontzet en veroordelen dit onridderlijk gedrag heftig. Met zijn laatste
ademtocht uit Doerjódhana dan een lang verwijt aan het adres van Krsjna
over het feit dat door zijn schuld ook Bhîsjma, Dróna, Karna en de
Kaůrava-bondgenoot Bhoerisjravas met onfaire middelen gedood zijn.
De Pândava’s worden ter plekke bevangen door wroeging.
Dan spreekt Krsjna de Pândava’s toe: “Als ik niet voor zulke
bedrieglijke tactieken gekozen had, dan hadden jullie nooit gezegevierd.
Je moet er niet over inzitten dat je vijand met valse middelen gedood is.
Als men in een zwakke positie tegenover de vijand staat, dan moet men
diens nederlaag met listen bewerken. De goden zelf hebben in hun strijd
tegen de demonen deze methoden gebruikt. We zijn nu met succes bekroond.
Het is avond, laten we ons naar onze tent terugtrekken.”
Op de bedrieglijke middelen die de vijand als eerste gebruikt had, komt
hij zelfs niet meer terug, zodat de lezer die het verhaal niet gevolgd
heeft, in Krsjna’s antwoord zelfs een pleidooi zou kunnen zien voor het
standpunt dat het doel de middelen wettigt. Wie het verhaal wel kent, weet
natuurlijk dat de vijand zich herhaaldelijk met valse middelen een
voordeelpositie verschaft heeft, te beginnen met het feit zelf dat het
altijd een voordeel betekent indien men de eerste slag toebrengt. Als de
partij die meermalen de agressie gepleegd heeft, van Sjakoeni’s vals spel
met geladen dobbelstenen en Doerjódhana’s brandaanslag op de Pândava’s tot
de aanval op koning Virâta en het op gang brengen van de confrontatie op
Koeroeksjétra, waren de Kaůrava’s reeds eerder meervoudig schuldig aan het
verwerven van een onfair krijgsvoordeel. Daarom hadden zij volgens Krsjna
geen recht van klagen zodra de Pândava’s hun een koekje van eigen deeg
gaven.
3.4. De juiste betekenis van
dharma-joeddha
Men zegt vaak dat de Mahâbhârata het relaas vormt van een dharma-joeddha,
en dat dit bewijst dat het hindoeďsme, heel centraal in zijn gewijde
literatuur, dus óók een notie van “heilige oorlog” cultiveert. Dat is een
kras geval van gebrek aan onderscheidingsvermogen.
Ten eerste is noch de dharma-joeddha in het algemeen, noch de
oorlog die in dit epos beschreven wordt, noch bv. de strijd van Râma tegen
Râvana, een “heilige oorlog” zoals begrepen in het jodendom, het
christendom en de islam. In dit laatste geval is een minimale definiërende
voorwaarde om van een “heilige oorlog” te kunnen spreken, dat hij een
leger gelovigen confronteert met een leger vijanden van het geloof. Dat is
in de hindoe-epen totaal niet aan de orde: de strijdende partijen behoren
tot één en dezelfde religieuze traditie.
Ten tweede wil het zo lukken dat de Mahâbhârata een oorlog beschrijft
die zelfs geen dharma-joeddha is. Hij begint weliswaar als
dharma-joeddha, maar gaat dan juist meer en meer afwijken van dit
ideaal. Niet dat op het einde zomaar alles toegelaten is: op elk punt
blijft het gedrag van de Pândava’s in redelijke verhouding met dat van de
Kaůrava’s. Wordt de volle riddercode niet meer gerespecteerd, dan wordt
toch nog een zeker principe van wederkerigheid in acht genomen. Maar een
model van dharma-joeddha is deze oorlog dus niet.
Een oorlog wordt geen dharma-joeddha (maar eventueel wel een
“heilige oorlog” of dzjihâd) door de identiteit van de
tegenstanders: gelovigen versus ongelovigen. De status van dharma-joeddha
hangt af van de wijze waarop men zich gedraagt tijdens de oorlog en
tijdens het bredere conflict waaruit de oorlog voortgekomen is. Het
Westerse equivalent daarvan is niet “heilige oorlog”, wel “rechtvaardige
oorlog”. De criteria hiervoor, gepreciseerd door diverse christelijke en
humanistische auteurs van de 13de tot de 18de eeuw, hebben niets te maken
met de religieuze identiteit van de strijdende partijen. Wel omvatten zij
deze bekommernissen: men moet eerst alle geweldloze alternatieven
geprobeerd hebben, men mag niet zelf het initiatief tot de oorlog genomen
hebben, men moet redelijke krijgskansen hebben (een bij voorbaat verloren
oorlog is bloedverspilling en daarom ethisch verwerpelijk), men moet
niet-strijders en uitgeschakelde strijders ontzien, er moet een redelijke
verhouding zijn tussen de ingezette middelen en de vijandelijke dreiging,
men mag een geboden kans tot wapenstilstand en verdere vreedzame
afwikkeling niet afslaan. Ziedaar, bij benadering, wat dus ook met
dharma-joeddha bedoeld wordt.
Men moet inmiddels wel erkennen dat het klimaat van culturele verruwing
en levensbeschouwlijke analfabetisering in de seculiere Indiase republiek
tot een verbastering van het gebruik van de term dharma-joeddha
geleid heeft. Met name het gewapende sikh-separatisme (“Châlistân”,
1980-93) bediende zich van een terminologie die naar de letter hindoe maar
naar de geest islamitisch was. Daar dook de term dharma-joeddha dus
wel op in een betekenis die feitelijk synoniem was met het islamitische
begrip dzjihâd, “heilige oorlog”: de sikhs in de rol van de
gelovigen, gerechtigd tot de overwinning, en de niet-sikhs (evenals de
“collaborerende” sikhs in de Indiase veiligheidstroepen) als de vijanden
van de uitverkoren gemeenschap, gedoemd tot de nederlaag. Deze visie was
geďnspireerd op de islamitische strijders die door de Châlistânî’s als
model of als bondgenoot beschouwd werden, maar is door de rauwe militaire
werkelijkheid in het ongelijk gesteld. Nogmaals bleek God, naar het woord
van Leopold II, aan de kant te staan van de partij met de grootste
kanonnen.
3.5. Extreme vormen van geweldloosheid
Mahâtma Gândhî was allicht de bekendste citeerder van de Bhagavad-Gîtâ,
het centrale sermoen van de Mahâbhârata. Hij bleef volhouden dat dit de
tekstuele basis vormde voor zijn doctrine van compromisloze geweldloosheid,
hoewel sommige tijdgenoten hem erop wezen dat de Gîtâ de geweldloosheid in
bepaalde voorwaarden juist afwijst en veroordeelt. Zijn critici hadden op
dit punt zonder meer gelijk.
Wie de Gîtâ leest, vindt daarin het standpunt van de Mahâtma inderdaad
gloedvol verdedigd, namelijk door Ardzjoena in het eerste hoofdstuk.
Precies zoals de 20ste-eeuwse politieke leider betoogde de Pândava in een
vlaag van pacifisme dat het beter is te sterven dan te doden, beter alles
te verliezen dan het zwaard op te nemen tegen zijn verwanten, beter
schande en uitstoting te verdragen dan geweld te gebruiken om zijn recht
te verdedigen. Het is precies tegen dat pacifistische en bij
uitstek Gandhiaanse betoog dat Krsjna de boodschap van de Gîtâ ontvouwt.
Collega-vrijheidsstrijders zoals Bâl Gangâdhâr Tilak en Srî Aurobindo
kwamen in hun Gîtâ-commentaren tot een heel wat minder
extreem-pacifistische lezing. Aurobindo trok openlijk ňf het gezond
verstand ňf de eerlijkheid van de Mahâtma in twijfel: het was voor een
lezer met een onbevangen blik en een redelijk begaafd intellect immers
onmogelijk om Krsjna’s betoog voor pacifistisch te aanzien. Ongeacht het
dispuut over de Gîtâ-exegese stelde Aurobindo bovendien dat het extreme
pacifisme in ieder geval een onverstandige weg was die méér bloedvergieten
zou veroorzaken dan een beleid van “peace through strength”.
Toen de profeet van de geweldloosheid in 1947 totaal mislukte in zijn
poging om de splitsing van India te verhinderen, en hij bovendien de kans
versmaadde om het bloedvergieten te beperken door middel van een
georganiseerde bevolkingsruil, zagen velen daarin de bevestiging van zijn
ongelijk,-- en van het tijdloze gelijk van Krsjna. Een bevlogen politiek
van hoge principes bleek minder goed dan een realistische politiek die met
krachtsverhoudingen rekening houdt. Niet alleen was een militant
pacifistisch beleid minder succesvol, het was in zijn resultaten zelfs
minder geweldloos.
(lezing voor de School voor Comparatieve Filosofie, Antwerpen, 11
oktober 2003)
Bibliografie
AUROBINDO Ghose, Sri: The Bhagavad Gita, with translation and
commentary; Divine Life Trust, Jhunjhunu Rajasthan 1992 (ca. 1930?).
BHARGAVA, P.L.: Retrieval of History from Puranic Myths, D.K.
Printworld, Delhi 1998 (1984).
CHIDBHAVANANDA, Swami: The Bhagavad Gita, Sri Ramakrishna
Tapovanam, Tirupparaitturai TN, 1986.
COWARD, H.G.; LIPNER, J.J.; and YOUNG, Katherine K.: Hindu Ethics,
SUNY, Albany 1989.
DAYANANDA Saraswati (of Arsha Vidya Gurukulam, Coimbatore), Swami:
The Teaching of the Bhagavad Gita, Vision Books, Delhi 1996 (1989).
ELST, Koenraad: De Moord op de Mahatma, Davidsfonds, Leuven
1998.
--: Gandhi and Godse: a Review and a Critique, Voice of India,
Delhi 2001.
GANGULI, Kisari Mohan: The Mahabharata (complete translation), 4
vols., Munshiram Manoharlal, Delhi 1993 (1970).
HEGEL, G.W.F.: On the Episode of the Mahâbhârata known by the Name
Bhagavad-Gîtâ by Wilhelm von Humboldt, Indian Council of Philosophical
Research, Delhi 1995 (1827).
JHANJI, Rekha: Human Condition in the Mahâbhârata, Indian
Institute of Advanced Study, Shimla 1995.
NARASIMHAN, C.V.: The Mahabharata, an English Version Based on
Selected Verses, Oxford India Paperbacks, Delhi 1996.
RANGARAJAN, L.N., ed.: Kautilya: The Arthashastra, Penguin,
Delhi 1991.
RAY, Purnima: Vasishtha's Dhanurveda Samhita, JP Publ., Delhi
1991.
SEN, Makhanlal, tra.: Valmiki Ramayana, Rupa, Delhi 1989.
VENKATESANANDA, Swami: The Concise Yoga Vasistha, SUNY, Albany
1984.