|
|
De grootste demokratie ter wereld
Door Dr. Koenraad Elst
De kaping van een Air India-vliegtuig heeft nog eens gedemonstreerd hoe in
het Indische subkontinent een oorlog woedt tussen de beschaving en de
barbarij. Voor deze laatste tekenen de islamitische regimes in Pakistan en
Afghanistan, die de kapers op diverse manieren gesteund hebben, ondermeer
door in Kandahar verse explosieven aan boord te laten brengen, en door de
kapers ongehinderd te laten vertrekken in plaats van hen op Afghaanse of
nadien op Pakistaanse bodem te arresteren. India daarentegen behoort tot
het nog steeds niet zo talrijke klubje van stabiele demokratieën die het
typische mikpunt van terreurakties zijn.
Maar daar krijgt het weinig waardering voor. De jongste verkiezingen in
India, de grootste demokratie ter wereld, hebben in onze media aanzienlijk
minder aandacht gekregen dan de staatsgreep in buurland Pakistan. Dat is
om meerdere redenen merkwaardig.
Het "hindoe-fascisme"
Eerst en vooral wordt India de komende vijf jaar geregeerd door een partij
die tot voor kort als "fundamentalistisch" en "fascistisch" omschreven
werd. Toen in 1991 de BJP grote verkiezingswinst boekte, waarschuwde een
Vlaamse krant de Indiase kiezers "niet dezelfde fout te maken als de
Duitsers in 1933". Toen de minzame dichter Atal Behari Vajpayee in 1996
voor het eerst als premier ingezworen werd, had de
New York Times
(17-5-1996) het over "een gevaar te gruwelijk om zich voor te stellen",
namelijk van aan "Indiase burgeroorlog" beraamd door "de rechtse vijanden
van de Indiase vrijheid die zich nationalisten noemen" maar die in feite
"pro-Nazi moordenaars" zijn. Ook
De Standaard
(5-3-1998) meende te weten dat de BJP behoort tot een beweging die "raszuiverheid"
nastreeft en wier zegsman
M.S. Golwalkar in 1938 Hitlers kampanje tegen de joden "een bron van
inspiratie" noemde.
Als het inderdaad een soort Hitler was die nu aan het hoofd staat van een
kernmogendheid met één miljard inwoners, dan zou dit toch aanleiding mogen
zijn voor meer media-aandacht? Blijkbaar geloven de experts hun eigen
voorspellingen niet, wellicht omdat het BJP-bestuur in diverse deelstaten
en in Delhi hen tot nu toe totaal in het ongelijk gesteld heeft. Maar de
moed om hun fout toe te geven hebben ze evenmin.
Om te beginnen, de veelgehoorde bewering dat de latere hindoeleider M.S.
Golwalkar in zijn eerste publikatie in 1938 (We,
Our Nationhood Defined)
"raszuiverheid" bepleitte, is onjuist. Golwalkar leidde uit de
ontwikkelingen in Duitsland, waar het inderdaad over "raszuiverheid" ging
(het woord komt dus wel voor in zijn boek, maar niet als eigen
programmapunt), af dat het samenleven van twee volkeren binnen één staat
tot konflikt moest leiden. Zijn oplossing voor dit probleem was precies
tegengesteld aan die van Hitler: terwijl deze de geassimileerde joden
eerst en vooral wilde dissimileren en afzonderen, formuleerde Golwalkar
ten aanzien van de moslims juist een beleid van assimilatie. In het
voorwoord (door toenmalig parlementslid M.S. Aney) wordt er ondermeer John
Stuart Mill bijgehaald, die een demokratie pas werkbaar achtte in een
etnisch homogene gemeenschap, en Israel Zangwill, de Brits-joodse auteur
die het begrip "smeltkroes" lanceerde als formule voor de etnische
eenmaking van de VS. Golwalkar vond ook dat de Tsjechen de
Sudeten-Duitsers hadden moeten assimileren, niet meteen Hitlers standpunt.
Dat Hitler als "bron van inspiratie" fungeerde, komt evenmin uit
Golwalkars pen, wel uit die van zijn vijanden (met name uit C. Jaffrelot:
The Hindu Nationalist Movement,
Viking 1996, p.54).
Westerse berichtgeving over de BJP is trouwens volledig gebaseerd op
vijandige bronnen, want zelfs de meeste "deskundigen" kennen de primaire
bronnen gewoon niet. Zo
zoekt men in de vakliteratuur tevergeefs naar een bespreking van de
officiële doktrine van de BJP, het "integraal humanisme", ruwweg te
vergelijken met de kristen-demokratisch personalisme (en toevallig ook de
titel van een boek van één van de denkmeesters van de kristendemokratie,
Jacques Maritain:
Humanisme Intégral,
1936; het is typerend dat beide in oorsprong konfessionele bewegingen een
formeel sekuliere doktrine naar voren schuiven). Dit is alsof een studie
over een kommunistische partij het marxisme onvermeld zou laten.
Willen we het werkelijke standpunt van de hindoe-nationalisten tegenover
Hitler kennen, dan kunnen we best eens kijken wat hun toenmalige generatie
tijdens WO 2
gedaan
heeft. Onmiddellijk nadat Groot-Brittannië in september 1939 aan Duitsland
de oorlog verklaarde, zegden de hindoe-nationalisten hun steun aan de
Britten toe. Hun leider Vinayak Damodar Savarkar riep alle hindoe-jongeren
op om dienst te nemen. Volgelingen van Mahatma Gandhi (die de Engelsen
opriep om hun land aan Hitler weg te schenken) scholden hem uit voor "rekruteringsofficier".
Het waren Savarkars rekruten die in Duinkerke de Britse aftocht dekten,
die in Libië tegen Rommel en in Irak tegen pro-Duitse Arabieren streden.
In Birma streden zij tegen de Japanners en hun Indiase kollaborateurs
onder de linkse ex-Kongresleider Subhas Bose. Van de zeven samenzweerders
in de moord op Gandhi, ongetwijfeld het dieptepunt van het
hindoe-nationalisme, hadden er drie tijdens de oorlog in het Britse leger
gediend.
De BJP en de demokratie
In 1977-79 was de BJP de grootste partner in de Janata-regering, gevormd
door mensen die tijdens Indira Gandhi's Noodtoestand-diktatuur opgesloten
waren of ondergronds voor het herstel van de demokratie geageerd hadden.
In 1977 stond de BJP waar Hitler in januari 1933 stond, dus tegen 1979 had
men van BJP-"fascisten" mogen verwachten dat zij hun regeringspartners
opzijgeschoven zouden hebben, het parlement ontbonden, de Nacht van de
Lange Messen, Nurembergwetten... In werkelijkheid gebeurde niets van dat
alles, de koalitie verloor in 1980 de verkiezingen en de BJP ging braaf
naar de oppositiebanken. Noteer overigens dat de Kongres-kommunistische
alliantie die Noodtoestand in 1975 afgekondigd had op grond van het gevaar
van de "fascistische krachten": de geschiedenis bewijst dus dat de valse
retoriek over hindoe-"fascisme" niet zo onschuldig is.
In 1996 kwam de BJP opnieuw kortstondig aan de macht, en in 1998 nogmaals,
maar alle gelijkenissen met Hitler bleven dode letter. Zo kwam er niets
van de voorspelde geweldgolf tegen de moslims, zelfs niet toen moslims in
februari 1998 in Coimbatore een aanslag pleegden tegen partijleider L.K.
Advani (wiens vliegtuig echter vertraging had), waarbij een vijftigtal
hindoe-militanten omkwamen; noch toen Pakistaanse invallers in juni 1999
in Kasjmir Indiase soldaten verminkten en doodfolterden; noch toen
islamitische militanten in december 1999 een Air India-vliegtuig kaapten
en één van hun gijzelaars (Rupin Katyal, een bruidegom op huwelijksreis
die weigerde zich een blinddoek te laten ombinden) de keel oversneden. Een
golf van afschuw over zoveel islamitische wreedheid ging door India, en
toch bleven de moslims ongemoeid. Ter vergelijking: de eerstesteenlegging
voor een nieuwe Rama-tempel op een door moslims opgeëiste plaats in
Ayodhya in november 1989 was aanleiding tot een massale geweldgolf tegen
de nog overblijvende hindoeminderheid in Pakistan en Bangladesj.
Over het sociaal-ekonomisch programma van de BJP deden recent twee
tegengestelde geruchten de ronde. Als zogenaamd "rechtse" partij ging de
BJP alles wat er aan sociale wetgeving in India bestaat, afschaffen, en
een ultra-liberale koers varen. Zoiets heeft nooit in het BJP-programma
gestaan, dat ook in dit opzicht dichter bij de kristendemokratische
middenweg staat; maar zoals gezegd, berichtgeving over de BJP is zelden op
primaire bronnen gebaseerd. Wel is juist dat de BJP een herziening
bepleitte van de verstikkende socialistische politiek die door de eerste
premier Jawaharlal Nehru begonnen was, en die India in een
spreekwoordelijke armoede gestort had. De juistheid van het BJP-standpunt
werd impliciet toegegeven door de Kongresregering van de ondergewaardeerde
premier Narasimha Rao, die in 1992 een gematigde liberalizering inzette.
De jongste jaren werd dan weer beweerd dat de BJP deze liberalizering zou
terugschroeven. Ook dit was uit de lucht gegrepen. De BJP wilde de
liberalizering wel in fasen laten verlopen, waarbij in een eerste fase de
intern geliberalizeerde Indiase ekonomie nog tegen buitenlandse
mededinging afgeschermd zou blijven, dit naar het voorbeeld van Japan en
de zgn. Tijgers. Deze benadering wordt gedeeld door bijna alle Indiase
partijen, en is het gezond verstand zelve. Inmiddels kwamen een aantal
zakenlui op het VRT-3-radio-programma
Het Wereldbericht
(30-10-1999) getuigen dat het Indiase ondernemingsklimaat onder
BJP-bestuur in elk opzicht verbeterd is.
Is demokratie wel goed voor India?
Toen de Derde-Wereldlanden na de dekolonizatie veelal in een spiraal van
ekonomische stagnatie en verarming terecht kwamen, werd er vaak
gedebatteerd over de wenselijkheid van de demokratie in
ontwikkelingslanden. Als doorslaggevend argument gold daarbij altijd de
uitentreure herhaalde vergelijking tussen India en China: in demokratisch
India is er hongersnood, in China daarentegen heeft de massa wat minder
burgerlijke vrijheden maar tenminste eten. Ik heb dat argument in Delhi
ook al honderd keer uit de mond van bezoekende journalisten en zakenlui
kunnen horen. Ik citeer hier nog eens Jacques Rogge's kommentaar op de
Indiase verkiezingen van 1998: demokratie is eigenlijk ongeschikt voor
ontwikkelingslanden.
In zijn eigen woorden: "je mag een onmetelijk land als China, met een
populatie van een miljard tweehonderd miljoen inwoners, niet beoordelen
met Westerse maatstaven. Inspraak en pluralisme moeten wijken voor meer
dringende behoeften als huisvesting, voedselvoorziening, gezondheidszorg,
onderwijs en ekonomische ontwikkeling. (...) Ik ben niet blind voor de
schending van sommige mensenrechten, maar ik kijk toch vooral met respekt
en bewondering naar de manier waarop de Chinezen hun immense land zonder
veel horten en stoten in goede banen leiden. Dat steekt schril af tegen
het immobilisme van het op één na meest bevolkte land, India, dat maar
niet uit het slop geraakt. De beangstigende vraag is of een
ontwikkelingsland zich een demokratie kan veroorloven. Misschien is het
meer gebaat met een sterk centralistisch gezag. India is een demokratie.
Er zijn heel wat negatieve aspekten aan verbonden, in de eerste plaats de
korruptie, maar er heersen dezelfde politieke vrijheden als bij ons.
Helaas geraakt het met die demokratie niet vooruit." ("De Kroonraad",
Knack,
25-3-1998).
Dat de Chinezen geen honger kennen is niet waar, natuurlijk: China heeft
de laatste halve eeuw frekwente regionale hongersnoden gekend, plus de
door een kommunistisch experiment (de Grote Sprong Voorwaarts)
veroorzaakte grootste hongerramp uit de geschiedenis, met ineens
tientallen miljoenen doden. Ook korruptie en de behoefte aan "konnekties"
(guanxi)
zijn in China algemeen verspreid: "China wordt gerekend tot de vijf meest
korrupte landen ter wereld", aldus Rik Coolsaet ("De reus bedreigt
zichzelf",
Knack,
28-10-1998). Het is trouwens onzin dat diktatuur in de regel een goed
middel is om de korruptie te bestrijden. Mussolini schakelde de Mafia uit
maar minder spektakulaire vormen van korruptie tierden welig onder zijn
bewind. Het is maar in een demokratie dat onbevreesde rechters en vrij
werkende onderzoeksjournalisten de korruptie aan de kaak kunnen stellen.
Juist de zieltogende staat Pakistan illustreert goed het onvermogen van
een veelal nietdemokratisch, af en toe zwak-demokratisch systeem om de
korruptie aan te pakken. In Pakistan hebben wapensmokkelaars en
drugbaronnen vrij spel, en generaal Perwez Musharrafs kampanje tegen de
korruptie heeft hen niet verontrust: ze zal alleen gericht enkele
politieke tegenstanders treffen, net zoals zijn verkozen voorganger Nawaz
Sharif rivale Benazir Bhutto middels een aanklacht wegens korruptie in de
hoek wist te zetten. In India daarentegen hebben journalisten als Arun
Shourie en N. Ram (om er maar een rechtse en een linkse te noemen)
allerhande schandalen aan de grote klok kunnen hangen, vaak met het
ontslag of een gerechtelijke veroordeling van de betrokken politici of
zakenlui tot gevolg. Men hoeft dus niet te vrezen voor een gebrek aan
zelfreinigend vermogen in een demokratisch bestel.
Verder is het klinkklare onzin dat het demokratische India "niet vooruit"
gaat. Iedereen weet inmiddels toch dat talloze Westerse bedrijven hun
boekhouding en ander computerwerk aan Indiase onderaannemers uitbesteden?
De boomende computernijverheid is de hele Indiase ekonomie op gang aan het
trekken, beter dan eender welk diktatoriaal overheidsinitiatief zou kunnen.
Natuurlijk is er nog een omvangrijk armoedeprobleem, maar dat gold ook
voor het industrializerende Engeland en in zekere mate zelfs voor de
huidige VS.
Wie India regelmatig bezoekt kan alleszins niet naast de gestegen welvaart
kijken.
Het echt "beangstigende" in Rogges betoog is de terloopse verkettering van
de demokratie. Bijna elke Westerling in Delhi debiteert wel datzelfde
refreintje, dat India te groot en te ingewikkeld is voor demokratie, en
dat het beter af zou zijn met een sterk regime. In het beste geval denkt
men dat het geen verschil zou uitmaken of India wel of niet een demokratie
zou zijn. Ook nu weer: na de staatsgreep in Pakistan toonden
The Economist,
de
Herald Tribune
en andere Westerse opinieleiders zich zeer welwillend tegenover de nieuwe
sterke man, en Pakistan-kenner Marc Colpaert kwam in het
VRT-duidingsprogramma
Aktueel
verklaren dat de instelling van een militaire diktatuur voor de bevolking
eigenlijk zo erg niet is, aangezien het beetje demokratie dat ze gekend
heeft weinig van diktatuur verschilde. Dit laatste was helaas wel de
waarheid in het geval van Pakistan, maar in India liggen de zaken grondig
anders. India heeft bewezen dat demokratie de beste weg is om de diverse
aspiraties van maatschappelijke klassen en etnische groepen te verzoenen,
en zou met een sterke staat zeker niet gebaat zijn.
De geestelijke vader van Pakistan, Mohammed Iqbal, een fan van Mussolini,
schamperde ooit dat "demokratie een systeem is waarin hoofden geteld maar
niet gewogen worden". Waarop Kedar Nath Mishra, mijn prof van filosofie in
Benares, zegt: "Maar ze worden tenminste niet afgehakt", wat toch al
verdienstelijk mag heten.
In eerste klasse
Een van de onjuistheden die in de berichtgeving over de vliegtuigkaping
hernomen werd, was de voorstelling van India en Pakistan als een paar
erfvijanden, zowat als de mangoest en de slang in Indiase fabels. De
symmetrie-dwaalvoorstelling houdt in dat India en Pakistan, of "hindoe-fundamentalisme"
en "moslim-fundamentalisme", zowat mekaars spiegelbeeld zijn, en jegens
elkaar in dezelfde verhouding staan. Het grootste deel van de media-beeldvorming
over de hindoe-tegenstanders van de islam is op deze
symmetrie-dwaal-voorstelling gebaseerd. Bv., de islam wil de vrouw
opsluiten (zie het Taliban-bewind in Afghanistan), dus neemt men aan dat
hindoe-militanten hetzelfde willen. In werkelijkheid diende de
BJP-regering in 1998 een wetsontwerp in om in het parlement een
vrouwenkwotum van 33% in te stellen, de onzalige politiek van positieve
diskriminatie dus, want in het BJP-programma vindt men alle progressieve
slogans, genre
"empowerment";
net als bij de CVP. Tegenover de islamitische ontvoeringen, bomaanslagen,
vliegtuigkapingen staat geen hindoe-ekwivalent.
Tussen India en Pakistan is er al helemaal geen symmetrie. Pakistan is
ontstaan uit de onwil van de Indiase moslims om met niet-moslims samen te
leven. De haat jegens India en de hindoes is de bestaansreden van
Pakistan, en is nog steeds een obsessie voor de hele politieke klasse van
dat land. Voor India daarentegen is Pakistan alleen maar een vervelende
mug, die het leven onaangenaam maakt maar niet echt levensbedreigend is.
Zelfs de moslims in India zijn hun gehechtheid aan Pakistan aan het
opgeven, getuige bv. hoe zij meer en meer voor India supporteren tijdens
cricketwedstrijden tussen beide landen. Pakistan is nu eenmaal een mislukt
experiment, het domein van feodale grootgrondbezitters, drugbaronnen,
wapensmokkelaars, sektaire en etnische milities.
Elk van de voorbije zes jaren zijn in Pakistan meer moslims bij sektair
geweld (sjiieten tegen soennieten tegen ahmadija's) omgekomen dan in
India. Een vrije pers, ombudsdiensten en de demokratische kontrole op het
beleid zorgen ervoor dat India zijn korruptieprobleem en zijn gebeurlijke
mensenrechtenschendingen zelf remedieert; niets daarvan in Pakistan. In
India wordt al wel eens een vrouw op een politiekantoor verkracht, zeker;
maar het is alleen in Pakistan dat een vrouw die bij de politie klacht
neerlegt wegens verkrachting zelf opgesloten wordt (wegens zelf toegegeven
buitenechtelijk geslachtsverkeer plus laster jegens een moslim), en als
toemaatje van het hele korps nog eens de behandeling krijgt waar ze als
ontuchtige vrouw "om gevraagd heeft". Moedige aktivisten zoals advokate
Asma Jehangir doen wat ze kunnen, maar het
krimineel-militair-fundamentalistisch kompleks is er oppermachtig. India
heeft weerklank in de wereld, zijn miserabilisme wordt gekompenseerd door
een grote kulturele uitstraling; Pakistan daarentegen heeft niets om fier
op te zijn.
De ekonomische en technologische demarrage van India zet de tegenstelling
nog verder in de verf. India heeft een florissante satelliet-nijverheid en
plant nu een eerste onbemande landing op de maan. Pakistan kon zijn
primitieve kernbommen maar testen door ijlings Chinese hulp in te roepen;
India maakte zijn kernwapen helemaal zelf, en testte in mei 1998 elk type
dat de Amerikanen hebben, soms met belangrijke technische nieuwigheden.
Hoewel ik niet onverdeeld geestdriftig ben over India's nukleaire optie,
kan men er toch niet naastkijken dat de atoomproeven als technologisch
hoogstandje een duidelijke cesuur vormen tussen het tijdperk waarin India
samen met Pakistan een typisch meelijwekkend Derde-Wereldland was, en het
tijdperk waarin India tot de grootmachten gaat behoren. Pakistan speelt in
dezelfde klasse als Iran of Irak; India meet zich voortaan met China en de
VS. De tijd is eindelijk rijp om het vanzelfsprekende in te zien: als
enige demokratie tussen Israël en Japan is India de natuurlijke bondgenoot
van Europa in Azië.
|
|
|
|